Terug naar startpagina Kerk en Vrede
Kerk en Vrede

Over de muur - een tekortschietende inhaalslag voor Koude Oorlogsdenkers

Greetje Witte-Rang(*)

Paragrafen:

IKV niet fout
CPN
Vrede boven mensenrechten?
Bronnengebruik
Veiligheidsdiensten
Onbegrip voor kerken
Alles umsonst?
Falcke
Krusche
Concluderend

Voetnoten

Op 6 december 2004 promoveerde aan de universiteit van Utrecht de historica Beatrice de Graaf (1976) op de studie ‘Over de muur’ (over de DDR, de Nederlandse kerken en de vredesbeweging). Ze beschrijft de relatie tussen deze drie vanaf de Tweede Wereldoorlog, met een nadruk op de periode vanaf 1977 (gekenmerkt door de strijd tegen de kernbewapening) tot aan de Wende in 1989. Jammer genoeg is de weergave van de feiten in het boek dermate gekleurd en beperkt, dat dit onderzoek de kerken en de vredesbeweging niet veel helpt bij de evaluatie van deze bijzondere periode uit de jongste geschiedenis.

Historici zullen vaak schrijven over een periode die ze zelf niet (bewust) hebben meegemaakt. Wanneer veel van hun lezers dat wél hebben, wordt zo’n studie een spannend gebeuren. Het kan verhelderend zijn om de gebeurtenissen van de vredesstrijd en de contacten met Oost-Duitsland nog eens de revue te laten passeren, zeker nu ook feiten beschikbaar zijn die tot nu toe verborgen bleven in de archieven van organisaties en geheime diensten.
Beatrice de Graaf heeft een groots werk verricht door nauwgezet de Stasi-archieven (en hier en daar ook de BVD-archieven, maar die zijn slechts zeer beperkt toegankelijk) te bestuderen. Ze heeft die gegevens afgezet tegen de gebeurtenissen in de vredesstrijd in Nederland. Helaas schiet haar boek daarbij op verschillende manieren nogal tekort.


IKV niet fout

Tijdens haar promotie en elders vertelde De Graaf dat ze van huis (een gereformeerde bondsgezin) uit het beeld had meegekregen van het IKV en Mient Jan Faber als ‘heulers met de vijand, het communisme’. Door haar onderzoek kwam ze er echter achter dat het anders lag. Het IKV van Mient Jan Faber stelde zich met woord en daad achter de oppositie in vooral de DDR, zelfs met zoveel vuur dat de Nederlandse kerken bang waren dat de positie van de kerken in de DDR, waarbinnen de oppositie een zekere bescherming vond, erdoor in gevaar zou komen. Dat de vredesbeweging niet per definitie ‘fout’ was, was bij de betrokkenen natuurlijk allang bekend. In die zin kan het proefschrift gezien worden als een inhaalslag voor die mensen die nog steeds leefden met dit door de Telegraaf, Heldring en ICTO opgeroepen beeld van de werkelijkheid. Helaas blijft De Graaf in haar studie aan andere onderdelen van die visie vasthouden. Zo geeft ze er blijk van geen enkele moeite met de kernwapens aan westerse zijde te hebben en beschouwt ze iedere vorm van westerse maatschappijkritiek als een keus voor het Oost-Europese model. Dat het IKV vooral zo groot en succesvol werd vanwege de campagne ‘Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland’, die pleitte voor eenzijdige eerste stappen om zo een wederzijds ontwapeningsproces op gang te brengen, raakt bij haar geheel op de achtergrond, zodanig dat die leus in het boek zelfs geen rol speelt. Ook in haar conclusie (blz. 286) noemt ze die campagne niet en stelt ze het voor alsof er vanaf het begin van de opkomst van de vredesbeweging eind jaren zeventig sprake was van een ‘gezamenlijk verzet tegen de nieuwe ronde in de wapenwedloop’, dat een rol ging spelen in de reeks bestaande gemeentecontacten met de DDR. Haar boek beschrijft weliswaar vooral de relatie met de DDR, maar om iets te begrijpen van de vredesstrijd in die periode is het wel nodig te weten welke centrale rol de strijd tegen de plaatsing van kernwapens in de hoofden van mensen en in de politieke discussie speelde. Eén keer refereert de schrijfster hier wel aan, namelijk wanneer ze moet verklaren waarom door rechts en conservatief Nederland de beweging Christenen voor het Socialisme (CvS), IKV en andere organisaties op één hoop werden gegooid en belasterd. Af en toe wekt de schrijfster zelfs de indruk dat het pleidooi voor eenzijdige stappen in de ontwapening slechts een nevendoelstelling van het IKV was, een zonde die zij het IKV wel wil vergeven vanwege die grote inzet in Oost-Europa.

Ook voor een ander element dat bij velen in de vredesbeweging in de kerken een belangrijke rol speelde heeft ze volstrekt geen oog (en waar ze het tegenkomt geen begrip), namelijk de maatschappijkritische houdingen van velen in vredesbeweging en kerken. Dit laatste biedt ook een verklaring voor het onbegrip dat ze aan de dag legt voor de positie van de gereformeerde kerken, die altijd het bewapeningsvraagstuk behandeld hebben in zijn maatschappelijke context. In dit verband zou het verhelderend zijn geweest als ze de verschillende posities die in de vredesbeweging werden ingenomen ten aanzien van Oost-Europa zou hebben onderscheiden en beschreven in hun motieven. Allereerst de groepen die (meer of minder) positief stonden tegenover het socialistisch experiment in de DDR; vervolgens de Derde Weg van mensen die de fouten van beide systemen zagen en probeerden een eigen weg te ontwikkelen met het goede uit beide systemen, en de groep die vooral het systeem in de DDR bekritiseerde, zonder veel aandacht voor de fouten van het eigen systeem te hebben. Ze gooit nu de eerste twee groepen op één hoop en gaat akelig ver in het afdoen van die groepen als ‘fout’, tegenover de derde groep met Mient Jan Faber als belangrijkste representant die door haar duidelijk als ‘goed’ beschouwd wordt.

Veel van de onvolkomenheden van het boek zijn op deze twee grondfouten terug te voeren. Twee voorbeelden om te laten zien hoezeer dit leidt tot een verwrongen beeld van de werkelijkheid.


CPN

Uitgebreid komen de personen en organisaties aan bod die de schrijfster beschouwt als tegenstanders van het Oost-Europa beleid van het IKV, zoals CvS, Bé Ruijs van het Hendrik Kramer Huis in Berlijn, de CPN en de beweging Stop de Neutronenbom. Af en toe blijken die echter toch mee te vallen: ze spreken zich kritisch uit over de situatie in Oost-Europa of blijken ook een reisverbod naar Oost-Europese landen opgelegd te krijgen. Dergelijk gegevens, soms verstopt in noten, spelen echter in het geheel van het betoog geen rol, wat erop wijst dat voor deze feiten kennelijk geen plaats was in het bij de schrijfster reeds bestaande beeld. In het geval van de CPN leidt dit tot een curieuze uitspraak. Op blz.148 wordt beschreven dat CPN-fractieleidster Ina Brouwer in 1982 bij de Oost-Duitse ambassade demonstreert tegen de arrestatie van dissidenten. Dan volgt de opmerking: ‘Deze kritiek betekende niet dat de CPN haar verzet tegen de modernisering van de kernwapens in Europa opgaf’. Verzet tegen die modernisering staat dus kennelijk voor De Graaf gelijk aan steun voor de DDR, en het opgeven van dat verzet zou voor haar dus het ultieme bewijs van betrouwbaarheid geweest zijn.


Vrede boven mensenrechten?

In maart 1984 sprak de gereformeerde synode zich uit tegen tegen de plaatsing van kruisraketten. Een geweldige overwinning voor de vredesbeweging: zo werd deze uitspraak alom ervaren. Ook door het IKV. In de Tweede Voortgangsrapportage ‘De kerken en het IKV’ uit augustus 1984 schrijft het IKV: ‘Het was van groot belang dat ruim voor het begin van de Actieweek in mei – en ruim vóór het verwachte regeringsstandpunt over de plaatsing – opnieuw een krachtig nee tegen de kruisraketten klonk. In maart maakten achtereenvolgens de Gereformeerde synode, de Hervormde Synode en de Raad van Kerken opnieuw hun positie duidelijk’. Maar dat is niet de reden waarom de gereformeerde synodeuitspraak door De Graaf wordt aangehaald. Nee, voor haar is deze uitspraak het bewijs voor haar stelling dat de prioriteit van de GKN ‘dus’ niet lag bij het aankaarten van de onvrijheid in Oost-Europa (blz. 202). Een dergelijke uitspraak kan alleen iemand doen, die zich niet bewust is van het politieke en kerkelijke klimaat van dat moment, waarin kernwapens centraal stonden en waarin van concurrentie tussen de aandacht voor de mensenrechten en de kernwapens geen sprake was. Alle discussies die aan de synodezitting vooraf gingen, stonden in het teken van het gevecht tussen IKV en ICTO over de kernwapens. Het IKV zegt zelfs de uitspraak van de Gereformeerde synode als een verrassing en bemoediging te hebben ervaren. In de Voortgangsrapportage blijkt dan ook niets van een dispuut van IKV met de kerken over Oost-Europa. De conclusie die De Graaf verbindt aan het gereformeerde kernwapenbesluit is dus buiten de orde. Consequent zou wel geweest zijn wanneer De Graaf ditzelfde oordeel dan ook over het IKV zou hebben uitgesproken, inclusief Faber, aangezien daar toch de campagne voor eenzijdige stappen van afkomstig was, een pleidooi dat het IKV, getuige de Vredeskranten, gedurende de jaren ’80 volhield. Het IKV zelf publiceerde in 1984 een brochure die geheel gewijd was aan de strijd in de komende jaren tegen de plaatsing van kruisraketten. Die strijd was dus nog steeds een kernpunt. De schrijfster heeft zich bij haar beeldvorming over deze verkeerde prioriteitsstelling dus niet op schriftelijke bronnen gebaseerd, want die waren er niet (ze verwijst daar op dit punt ook niet naar). Hoe komt ze dan toch tot haar oordeel? Dat moet ofwel een toepassing zijn van een persoonlijk uitgangspunt dat wie zich zonder meer tegen kernwapens uitsprak, daarmee direct aangaf de vrede boven mensenrechten te stellen. Een andere verklaring voor het oordeel van De Graaf is dat ze dit ontleend heeft aan haar gesprekspartners die in het boek genoemd worden. Dan is ze zich kennelijk niet bewust van het gegeven dat geheugens feilbaar zijn en mensen soms geneigd zijn het verleden te herschikken op basis van eigen aannames en latere ontwikkelingen.(1)

Het is inderdaad zo dat het IKV in de tweede helft van de jaren ’80 steeds meer aandacht ging besteden aan Oost-Europa. De strijd voor eenzijdige stappen in de kernontwapening was echter altijd gepresenteerd als een bijdrage aan ontspanning. Zo schreef het IKV in de Vredeskrant van 1981: “De vredesbeweging in het Westen zal, naar onze overtuiging, de Polen het beste helpen door in eigen land krachtig weerstand te bieden tegen de nieuwe koude oorlogsgolven die over de wereld spoelen. Dat is één van de redenen waarom verzet geboden blijft tegen de NAVO-modernisering’. In de Vredeskrant van 1982 werd dat herhaald: de strijd tegen de raketten in Nederland geeft mensen in Oost-Europa de ruimte om dáár hetzelfde te doen. Dat was dan ook de reden waarom kernen en kerken met die strijd dóórgingen, daarin voortdurend gesteund door de Vredeskrant en andere uitgaven van het IKV. De Graaf wenst echter terugkijkend hier een prioriteitsstelling ten koste van de mensenrechten in te lezen. Ze moet daarvoor wel érg veel IKV-publicaties terzijde laten over al die andere onderwerpen dan de mensenrechten. En zelfs oud-IKV-voorzitter Ter Veer stelt ná de val van de Muur (in: ‘Het geluk van de vredesbeweging’) dat de opstelling van de vredesbeweging inzake de bewapening ruimte creëerde voor Gorbatsjov om concessies te doen.
In haar wel erg weinig kritische houding ten aanzien van het Westen komt het ook niet bij De Graaf op om de vraag te stellen of de het plaatsingsbesluit en de inderdaad allengs verminderende inzet van het IKV inzake de bewapening van het Westen in combinatie met een verhoogde IKV-inzet in Oost-Europa niet vanzelfsprekend tot grotere repressie van de critici in de Oost-Europa zou leiden. Verstopt in een noot (30, blz. 350) maakt De Graaf melding van een brief uit 1986 van 20 Oost-Berlijnse dissidenten aan de Nederlandse regering om stationering te verhinderen. Aan de uitvoering van díe wens van en steun aan de dissidenten besteedt De Graaf echter geen aandacht. Integendeel: wie zich daarvoor inzet, wordt verdacht gemaakt. Dat veel IKV-kernen het lieten afweten toen het IKV steeds meer de aandacht verlegde naar Oost-Europa, had er niet mee te maken dat ze de vrede boven mensenrechten lieten gaan (zoals De Graaf veronderstelt), maar omdat de IKV-campagne tegen de kernwapens duidelijke mogelijkheden bood voor activiteiten in eigen land; de kernen namen het idee van de eenzijdige stappen serieus: zij zagen voor zichzelf een taak weggelegd om in eigen land aan de ontspanning te werken. In die zin kan zelfs gesteld worden dat het niet de kernen waren die het IKV lieten vallen, maar dat het het IKV-secretariaat was dat de kernen in de steek liet. Met een voorkeur voor de vrede boven mensenrechten had dat niets te maken.


Bronnengebruik

Het bronnengebruik in het boek is op z’n zachtst gezegd curieus te noemen. Bij verschillende cruciale passages worden geen bronnen vermeld. Waar dat wel gebeurt, wordt vaak niet letterlijk geciteerd, zodat de lezer zich gaat afvragen wat er nu precies gezegd is, temeer daar De Graaf regelmatig, waar ze wél citeert, daar vreemde conclusies aan verbindt. Zo stelt ze (blz. 121) over de (overigens nogal slordig behandelde) gesprekken tussen enkele mensen van de Raad van Kerken met een groep mensen van de Bund (van DDR-kerken) onder leiding van Heine Falcke, dat de Nederlandse deelnemers erin meegingen als de kritische woorden van Falcke door één van zijn landgenoten onschadelijk werden gemaakt. Ze verwijst hier louter in algemene zin naar het archief van die gesprekken. Daarin is echter niets te vinden wat aanleiding geeft voor deze conclusie. Waarop baseert ze haar oordeel dan wel? In andere gevallen is dat niet altijd zo makkelijk na te zoeken. Juist vanwege de gevoeligheid van veel informatie had ze wél letterlijk moeten citeren, met duidelijke verwijzingen naar traceerbare bronnen. In het proefschrift, maar ook in de verdediging daarvan en toelichting daarop in de media door de schrijfster zelf en later ook door Mient Jan Faber, worden zeer harde oordelen over mensen uitgesproken (waar de beschreven feiten, bijvoorbeeld in het geval van Von Meyenfeldt, zeker niet rechtstreeks aanleiding toe geven). De schrijfster heeft het niet nodig gevonden ‘hoor en wederhoor’ toe te passen en heeft met het merendeel van deze mensen (of mensen uit hun omgeving) dus niet gesproken. Zij kunnen nu slechts achteraf hun visie geven en ontbrekende feiten en interpretaties aandragen, maar kregen helaas nergens die aandacht die de media aan de visie van De Graaf gaven.


Veiligheidsdiensten

Bijzonder is ook dat voor de beschrijving van CvS vrijwel uitsluitend gebruik wordt gemaakt van het dossier dat de BVD over deze beweging samenstelde, onder meer op basis van verslagen van infiltranten. De informatie uit zowel de BVD als de Stasi-archieven wordt door De Graaf zonder meer voor waar gehouden, alsof daar van belangen bij een bepaald soort informatie en het uitvergroten van de eigen prestaties geen sprake zou zijn. Zo neemt zij uit die bronnen de betitelingen van organisaties als mantel- of frontorganisaties over en worden mensen die doordat ze contact hebben met iemand die –zonder dat ze dat weten- contact heeft met de Stasi zelf voor het gemak ook maar contactpersoon van de Stasi genoemd (blz.163). Critici van de IKV-lijn ten opzichte van de DDR betitelt ze kortweg als ‘sympathisanten van het DDR-regime’ (blz.199) en doordat de Stasi de kritiek van CvS op Ter Laak en Faber in handen kreeg, wordt van deze beweging direct ook maar gezegd dat deze een niet geringe bijdrage aan de lastercampagne tegen beide heren leverde (blz.229). Het bontst maakt de Graaf het bij de beschrijving van generaal Von Meyenfeldt. Niet alleen concludeert ze ten onrechte uit het feit dat Von Meyenfeldt tegen de IKV-lijn was inzake de benadering van de DDR dat deze socialist en lid van CvS was (zie blz. 147 en 156), maar ook doet ze geen enkele poging om zijn optreden in de DDR vanuit een andere motivatie te verklaren dan dat hij een propagandist van de DDR zou zijn. Dat culmineert in de schandelijke wijze waarop ze het overlijden van Von Meyenfeldt aankondigt (noot 29, blz.366): ‘Von Meyenfeldt, de ‘rode generaal’, stierf op 27 november 1990, ruim een maand na het verdwijnen van het land waar zijn politieke sympathie lag’. In haar epiloog (blz.276) uit ze zich hierover genuanceerder, en voegt ze er bovendien aan toe dat de contactpersonen die ze noemt niettemin handelden ‘vanuit hun eigen overtuiging dat hiermee de vrede en de kerkelijke belangen waren gediend’. Het zou fraaier geweest zijn als ze net zo diep was ingegaan op de beweegredenen van deze personen als ze dat doet met de beweegredenen van Mient Jan Faber, in plaats van louter af te gaan op archieven van veiligheidsdiensten.
Wetenschappelijk gezien moet haar dit kritiekloze hanteren van de gegevens van veiligheidsdiensten zwaar aangerekend worden, aangezien daarover in Duitsland nogal wat discussie is geweest
(2). Toen na de Wende de Stasi-archieven opengingen, waren er nogal wat onderzoekers die deze bronnen kritiekloos hanteerden om aan te tonen hoe fout of aangepast mensen en instellingen wel niet geweest waren. Hierop kwam forse kritiek. Onder andere van de theoloog Heino Falcke uit Erfurt (over wie dadelijk meer) die hiervoor de aangewezen persoon was omdat hij zelf zich niet hoefde te verdedigen, aangezien hij er meestal positief af komt in die studies (ook bij de Graaf is dat het geval). Op blz.272 van haar boek schrijft De Graaf: ‘Heino Falcke was een van de weinige Oost-Duitse theologen die het onderzoek van Besier waardeerden’. Besier schreef in 1991 een dik boek gebaseerd op Stasi-verslagen over de aanpassing van de DDR-kerken aan de staat. De Graaf verwijst hier naar een tekst van Falcke. We lezen echter in deze tekst(3) dat Falcke het een ‘haastig’ geschreven boek noemt: ‘The GDR regional churches found themselves obliged to issue public statements to correct or refute the book’s countless factual errors, mistakes, misinformation and even misleading interpretations and misrepresentations. Criticism was also made –and later repeated in academic publications- of Besier’s methodology, for not having interviewed contemporary witnesses, for having relied solely on state documents and Stasi files, for frequently doing no more than repeating their interpretations, and for allowing himself to be led by his researches into “following predetermined path intentionally to seek confirmation of existing suspicions or exonerating circumstances” (J.Mehlhausen)’. Of te wel: De Graaf laat Falcke het tegendeel zeggen van wat hij werkelijk zei. Falcke achtte de discussie over de schuldvraag inderdaad van belang, maar dan wel op een ordentelijke wijze, en hij was teleurgesteld dat de kerken die discussie niet eerder aangingen en daardoor overvallen werden door al dan niet terechte aantijgingen. Maar over de studie van Besier is hij uitgesproken negatief. De Graaf had er echter enig belang bij om Falcke’s oordeel te herzien: zij maakt immers op soortgelijke wijze van de bronnen gebruik als Besier dat deed.
Het is ondoenlijk alle verwijzingen van De Graaf op deze wijze te controleren, wat immers neer zou komen op het overdoen van haar onderzoek. Maar dit voorbeeld wekt geen vertrouwen. Daardoor is het nu aan de mensen en groeperingen die De Graaf bespreekt om zelf na te gaan in hoeverre de bronnen correct gehanteerd zijn.
Het is een raadsel dat de promotoren van De Graaf dit hebben laten passeren.


Onbegrip voor kerken

Meer dan eens geeft De Graaf er blijk van de kerken en de kerkelijke discussie niet echt van binnenuit te kennen en te begrijpen. Dat blijkt uit kleine feitelijke onzorgvuldigheden en fouten. Belangrijker echter is dat ze niet onderkent dat een belangrijke reden voor de kritiek van de kerken op het IKV er in gelegen was, dat het IKV niet zomaar een eigenstandige organisatie was, maar een samenwerkingsverband van de kerken. En die kerken konden zich er terecht aan storen als Mient Jan Faber zich weinig gelegen liet liggen aan de stem van de kerken. Louter dankzij de grote loyaliteit en het harde ploeteren van de beraadsleden werd de band tussen kerken en IKV niet verbroken.(4) Die beraadsleden waren de vertegenwoordigers van de kerken in het IKV, de mensen dus die in het IKV het beleid zouden moeten uitzetten. Het is niet voor niets dat Faber met verschillenden van zijn voorzitters overhoop lag: de spanningen konden in het beraad hoog oplopen. De Graaf geeft er geen blijk van zich dit alles bewust te zijn (ze noemt het even: blz.216). Hoewel ze Faber in haar boek een hoofdrol geeft, laat ze een beschrijving van zijn persoon en persoonlijke optreden achterwege (op twee korte verwijzingen naar de overeenkomsten –‘eigenzinnige gereformeerde’ en ‘harde kop’- tussen Faber een voorzitter Van Putten, na), alsof dat niet in alle contacten –in Oost en West- die ze beschrijft, een rol zal hebben gespeeld. De Graaf schrijft (blz.226 op basis van interviews met Hogebrink en Ter Taak): ‘Maar hoewel Van Puttens geloofwaardigheid binnen de harde kern rondom Faber was aangetast, bleef hij namens de Gereformeerde Kerken IKV-bestuurslid’. De Graaf had het kennelijk logischer gevonden als de Gereformeerde Kerken zich maar hadden gevoegd naar Faber en de zijnen. Alsof het IKV geen beraad van de kerken was!
Ook voor het typisch kerkelijke legt ze weinig gevoel aan de dag. Dat de Wereldraad van Kerken na 1962 het Koninkrijk van God ging opvatten als ‘de ideale maatschappij van morgen’ (blz.36) kan alleen iemand schrijven die niets ván, maar alleen maar rechtse kritiek óp de Wereldraad gelezen heeft. Ernstiger nog is de aantijging als zouden de kerken de vredesstrijd alleen gevoerd hebben ‘om mensen mee te mobiliseren; (blz.118); ook het Conciliair Proces wordt door haar op die wijze benaderd. Voor de Wereldraad van Kerken en het Conciliair Proces heeft ze weinig goede woorden over; die hielden zich vooral ‘onrechtvaardige toestanden in de Derde Wereld’ bezig. Ze maakt bij haar kritiek een wel heel eenzijdig gebruik van woorden van Theo Witvliet hierover (blz.251) door uit diens beschrijving alleen de negatieve aanduidingen te citeren en de positieve achterwege te laten. Ze noemt de CP-onderwerpen gerechtigheid en heelheid van de schepping ‘algemene en abstracte’ onderwerpen, kennelijk uit onkunde aangaande het soort activiteiten dat op dit terrein ontplooid werd. Ze speelt (mede op basis van uitspraken van de IKV-top, zie blz.206, 251) de inzet van de kerken voor gerechtigheid in de Derde Wereld uit tegen de mensenrechten in Oost-Europa: de kerken leggen hun werkterrein te ver van huis. Dat die gerechtigheidstrijd door de westerse kerken vooral werd opgepakt als een uitdaging om de eígen westerse rol in dit onrecht aan te pakken (de Nederlandse steun aan de apartheid, het Nederlandse beleid met betrekking tot de schulden van de Derde Wereld, het Nederlandse milieubeleid om maar enkele voorbeelden uit de beschreven periode te noemen) ziet ze niet. Oók ontgaat het haar dat het IKV zelf enthousiast reageerde op het Conciliair Proces en in 1988 met een eigen bijdrage kwam waarin de relatie met de Derde Wereld uitvoerig aan de orde kwam en waarin Oost-West-samenwerking slechts één van de vier activiteiten in het Conciliair Proces is die het IKV denkt te gaan ondernemen. In haar oordeel over het Conciliair Proces als een ‘lastige evenwichtsoefening: theologisch en kerkelijk streefde men naar eenheid en naar gemeenschap, maar aan de machtsverhoudingen moest niet getornd worden’ laat ze zich geheel leiden door woorden waarmee de IKV-top terugkijkt.

De Graaf geeft ook op andere terreinen er blijk van de kerkelijke benadering niet te begrijpen. De vraag van Kruijswijk (voorzitter van de gereformeerde synode) ‘Waarom denken veel mensen dat christen-zijn onder het kapitalisme eenvoudiger is dan in een socialistische staat?’ kan ze alleen maar –politiek- opvatten als vergoelijking van het socialisme, en niet in zijn theologische bedoeling als de (voor de meeste gelovigen heel herkenbare) oproep tot waakzaamheid, juist in ogenschijnlijk gemakkelijke omstandigheden. Dergelijk onbegrip bij de auteur treffen we vaker in het boek aan (bijvoorbeeld op blz.81 en 224), alsmede waar ze de terugblik van enkele theologen op de DDR-periode beschrijft (zie het slot van deze notitie). Bij Falcke had ze kunnen lezen wat hiermee bedoeld is, wanneer hij in zijn tekst ’11 Sätze zum Weg unserer Kirche jetzt’ uit 1990 schrijft: ‘Wir haben erfahren, dass die Freiheit der Kirche in ihrem Auftrag gründet (Barmen III), nicht in den Freiheiten die ihr Staat und Gesellschaft einräumen’. Het enthousiasme dat mensen die met medegelovigen in de DDR spraken, over die gesprekken aan de dag legden, heeft ze daarmee niet echt gepeild: wat hen boeide, was de zeer bewuste manier van kerkzijn, juist vanwege het niet-vanzelfsprekende van het kerklidmaatschap. Daar was veel van te leren voor mensen uit een samenleving als de Nederlandse waar het niemand interesseert of iemand kerklid is en het dus lijkt alsof kerklidmaatschap geen echte keuze is en met zich brengt.

Ook begrijpt De Graaf niet werkelijk wat het betekent dat in de oecumene de kerken elkaar onderling als zusters beschouwen. Verschillende malen beschrijft zij dat de Nederlandse kerken het IKV maanden het met zijn kritiek op het DDR-regime rustiger aan te doen, omdat hun zusterkerken daaronder leden en hen daarop aangesproken hadden. De Graaf beschuldigt de Nederlandse kerkelijke partners ervan de omvang van de repressie níet door te hebben gehad omdat ze zich aanpasten aan de eisen van loyale of bange kerkleiders. Zij spreekt hier regelmatig over ‘oecumenische beleefdheid’. Dat is echter als het gaat om de kerkelijke familieverhoudingen een misplaatst begrip, dat geen recht doet aan de dilemma’s waar kerken in dit soort zaken voor staan. Simpele oplossingen bestaan hier niet; de DDR-kerken en daarmee ook hun partners in het buitenland hebben voortdurend staande in de spanning hun weg moeten zoeken. Ongetwijfeld zijn er in die worsteling door de kerken fouten gemaakt; om daar van te leren is het zinniger de dilemma’s uit te werken en niet te ontkennen. De Graaf laat bovendien zelf ook zien dat de kerken zich niet ten onrechte bezorgd maakten: het optreden van het IKV leidde tot forse repressie van de contacten van de kerken in de DDR (blz.209). Ter verontschuldiging van het IKV schrijft ze vervolgens dat het toch het SED-regime was dat de ontspanning blokkeerde, zich kennelijk er niet van bewust dat dat precies de reden voor de voorzichtigheid van de kerken was.
Bovendien, en ook aan dat dilemma besteedt De Graaf minder aandacht dan wenselijk is, kon het IKV zijn activiteiten alleen ontplooien vanwege de ruimte die de kerken daarvoor hadden gecreëerd. Hadden de kerken de lijn van het IKV vanaf het begin gevolgd, dan was het met alle contacten, ook die van het IKV, waarschijnlijk snel afgelopen geweest. Hier passen geen makkelijke en algemene oordelen.
En om nog even op de gemeentecontacten door te gaan: het is volstrekt onduidelijk waarom De Graaf de IKV-activiteiten als ‘ontspanning van onderaf’ beschrijft, maar de gemeentecontacten niet. Aangezien ze hier ook de termen ‘spanningsvermijdend’ tegenover ‘spanningsverhogend’ hanteert, is er waarschijnlijk eerder sprake van uiteenlopende strategieën bij het werken aan die ‘ontspanning van onderop’.


Alles umsonst?

Tot slot nog een onderwerp dat bij uitstek aangeeft, waarom we met dit proefschrift in de discussie over de rol van kerken en vredesbeweging in de relatie met de DDR niet veel verder komen.
Er zijn twee protestantse DDR-theologen die terecht in het proefschrift met ere genoemd worden als mensen die er alles aan gedaan hebben om kritisch te blijven ten opzichte van het DDR-regime en tegelijk de ruimte voor de kerk niet onnodig in gevaar te brengen. Dat zijn probst Heino Falcke en (hoewel in iets mindere mate) bisschop Werner Krusche. Als ze al eens iets doen wat in de ogen van De Graaf te ‘systeem-vriendelijk’ is, dan wordt dat uitgebreid verklaard (een verklaring die bij anderen achterwege blijft). Helaas geeft ze daarbij wel een eenzijdig beeld van beide heren; ze laat weg wat haar niet welgevallig is en voegt citaten bij elkaar tot die beweren wat haar zelf voor ogen staat.
Zo waren beiden actieve ondersteuners van de gedachte van het ‘Kirche im Sozialismus’: de gedachte dat de kerk in de DDR zich niet opstelt tegenover het socialisme, maar haar plaats daarin bewust aanvaardt als werkveld en mogelijkheid tot dienst. De Graaf beschouwt dit concept als een aanpassingsfomule (blz.53). Wel spreekt ze met waardering over de toevoeging van Falcke van het adjectief ‘verbesserlich’ (socialisme). Ook vanwege de geringe steun die haars inziens het concept ‘Kirche im Sozialismus’ onder de kerkleden had, wijst De Graaf de positieve waardering die de Nederlandse kerken voor het concept hadden, af (blz.80-81). Maar daarmee doet ze geen recht aan beide theologen, die heel bewust kozen en bleven kiezen voor dat concept. Bovendien haalt ze uit enkele belangrijke teksten van beiden juist die gedeelten aan, die haar mening bevestigen dat het concept ‘Kirche im Sozialismus’ niet deugde en dat de Bond van DDR-kerken veel te voorzichtig was. Maar daarvoor moeten die teksten wel erg veel behandelingen ondergaan.


Falcke

De Graaf schrijft op blz.174: ‘“Warum haben wir damals nicht die Systemfrage gestellt?”, vroeg ook Heino Falcke doelend op de Oost-Duitse en Nederlandse deelnemers aan de kerkelijke uitwisseling. Hielden de Nederlanders uit oecumenische beleefdheid rekening met hun moeilijke situatie, “oder waren sie – wie manche Linke im Westen – von einer anti-antikommunistischen Kritikhemmung befallen?” En waren de Oost-Duitse christenen niet te bang geweest voor de politieke confrontatie en hadden ze zich daarom niet te zeer met een “blauäugigen Optimismus” beholpen? Volgens Falcke had bovendien ook een rol gespeeld dat er binnen de Oost-Duitse kerkelijke leiding een “etatistischer, struktur-konservatiever, machtoreintierter Friedensbegriff” overheerste.’
De hier aangehaalde citaten van Falcke stammen van verschillende bladzijden van één artikel, en zijn door de schrijfster achter elkaar gezet. Ze wekken zo de suggestie als zou Falcke achteraf forse kritiek hebben op de deelnemers aan de kerkelijke uitwisseling, inclusief zichzelf. Falcke doet inderdaad in de passage waaraan de eerste citaten ontleent zijn, aan zelfonderzoek. Hij beschrijft hoe in de gesprekken ‘systemimmanent’ kritisch over economie, milieu en ontwikkeling werd gesproken en politieke voorstellen werden ontwikkeld. Vervolgens zegt hij dan: ‘Heute aber fragt man rückblickend: …’ en dan volgen de passages over ‘Systemfrage’, ‘Kritikhemmung’ en ‘Optimismus’. Het gaat hier dus niet om een vraag van Falcke, maar om een vraag van anderen waarop Falcke vervolgens een antwoord geeft. Dat antwoord begint met de opmerking dat hij dit alles niet apologetisch wil afwijzen, maar dat wel de tegenvraag gesteld moet worden ‘ob bei dieser heute gängigen Frage die geschichtliche Differenz zwischen Tatzeit und Errinerungszeit und das Kriterium der Zeitgerechtheit des Handelns bedacht ist’. Immers: tot 1989 zagen de beide delegaties als hun belangrijkste taak de vraag te beantwoorden wat er in Nederland en de DDR gedaan moest worden op weg naar een rechtvaardige, participatoire en houdbare samenleving. Over de ‘Systemfrage’ zegt Falcke dat wellicht daarin eerder geoefend had moeten worden. Immers, bij de Wende bleek dat de basisgroepen wél in staat waren tot verandering van het reëel bestaande socialisme, maar politiek volstrekt hulpeloos waren toen het socialisme als systeem in elkaar stortte. Falcke bedoelt hier niet te zeggen dat men niet kritisch genoeg was geweest over het systeem, maar dat men er niet de gedachten over had laten gaan wat er gedaan zou moeten worden wanneer het systeem op zou houden te bestaan. Falcke vond de manier waarop na de Wende over alle ervaringen van de Oost-Duitsers in kerk en maatschappij werd heengewalst, het westerse economisch denken kritiekloos werd omhelst en de Bund zich moest voegen in de EKD, verschrikkelijk en spreekt over de jaren 1989-1994 als de zwaarste van zijn loopbaan
(5) en schrijft: ‘Es bestätigte sich, was uns die niederländischen Freunde in den siebziger und achtziger Jahren immer wieder sagten: Der real existierende Westen ist keineswegs die Antwort auf unsere Fragen’(6).
Het citaat over het etatistische vredesbegrip dat zou overheersen binnen de leiding van de Bund komt uit een andere passage uit de genoemde tekst, en ook hier legt De Graaf Falcke woorden in de mond die hij niet uitspreekt. In deze passage wijst hij erop dat er begin jaren ’80 geen verschil van mening bestond tussen de Nederlanders en de Oost-Duitsers over de noodzaak van maatschappelijke veranderingen in de DDR. Er was een verschil van inzicht inzake de strategie, bijvoorbeeld dat destabilisatie van de krachtverhoudingen in Europa ontspanning en ontwapening in de weg zou staan. Falcke vervolgt dan: ‘Dieses Argument konnte aber auch repressiv missbraucht werden und jede Veränderungsinitiative ersticken, zumal wenn dahinter ein etatistischer, strukturkonservativer, machtorientierter Friedensbegriff stand’. Voor een oordeel over een overheersend vredesbegrip bij de leiding van de Bund waarvoor De Graaf dit citaat gebruikt, geeft het citaat echter geen aanleiding. Het is onmogelijk om in dergelijke algemene typeringen over de kerkleiding te spreken, zo stelt Falcke.


Krusche

Krusche leverde in 1991 voor de (laatste) synode van de Oost-Duitse kerk een buitengewoon indrukwekkende en ontroerende bijdrage. Hij kijkt daarin terug op 21 jaar kerkzijn in de DDR en stelt daarin kritische vragen bij zijn eigen rol en die van de kerken in de DDR, onder de titel is ‘Denkt daran, dass im Herrn eure Mühe nicht vergeblich ist”.
De Graaf noemt het een genuanceerde tekst (blz.273), en wijdt er de volgende woorden aan: ‘Hij was van mening dat de kerken te lang over de muur hadden gezwegen, te omzichtig met het regime waren omgegaan en te weinig over de Stasi hadden gezegd. Hij leverde niettemin kritiek op de wijze waarop de media zo nadrukkelijk de geloofwaardigheid van de kerk in twijfel trokken. Men moest ook beseffen dat voor iedereen, dus ook voor de kerken, gold dat Gods kracht in zwakke mensen werd volbracht’.
Lezen we echter de tekst van Krusche, dan zien we dat hij dit laatste citaat (uit 2 Kor.12) niet als excuus aanvoert (wat ook een verkeerde tekstuitleg zou zijn) en in een geheel ander verband gebruikt, zelfs voor het tegenovergestelde van wat De Graaf hier impliceert. Krusche gebruikt het om situaties te beschrijven waarin gelovigen erin slaagden hun kritiek vol te houden: ‘Wir haben erfahren, dass es stimmt, dass Gottes Kraft in den Schwachen mächtig ist (2.Kor.12,9), wenn sie der Macht seines Wortes vertrauen, dat “kraftvoll und schärfer ist als ein zweischneidiges Schwert” (Hebr.4,12)”.
Ook op blz.83 noemt ze deze tekst van Krusche. Eerst vertelt ze dat Krusche in 1979 stelde dat de Oost-Duitse kerken zich allang niet meer in een permanente kerkstrijd bevonden en de vraag stelt of de ‘kerk in het kapitalisme’ zo veel beter was dan de ‘kerk in het socialisme’. Hieruit concludeert De Graaf: “Krusche droeg zodoende bij aan de beknotting van de Nederlandse kritiek op de situatie in de DDR’. We zien hier weer hetzelfde misverstand bij De Graaf dat we hiervoor als constateerden. Maar ze vervolgt dan: ‘Na de val van de Muur had hij daar spijt van. De Oost-Duitse kerken hadden zichzelf ten onrechte als iets bijzonders beschouwt, schreef Krusche toen. Maar daar had de internationale gemeenschap zelf ook aan bijgedragen. Men had het Oost-Duitse revolutionaire kerk-in-het-socialismeconcept volgens hem te zeer gekoesterd en te weinig onderworpen aan broederlijke kritiek. Deze kritiekloze bewondering had de kerkleiding niet altijd goedgedaan’. Hier volgt een verwijzing naar de tekst ‘Denkt daran...’.
Lezen we de 40 pagina’s lange tekst van Krusche echter zorgvuldig, dan komt daaruit een ander beeld naar voren. Ronduit tendentieus blijken dan de laatste zinnen van De Graaf te zijn, aangezien Krusche die niet schreef in de passages die over ’Kirche im Sozialismus’ gaan, maar in de paragraaf die de vraag behandelt of de Bund de nieuwe gemeenschap met de EKD iets bijzonders te bieden heeft. Hij wil op die vraag niet ingaan, omdat hij dan gevaar loopt zijn kerk als ‘betere’ kerk voor te stellen, wat men nooit gewild heeft; en vervolgt: ‘Aber, vielleicht haben wir es uns zu gern gefallen lassen, wenn man uns in der Ökumene als etwas Besonders ansah oder wenn die Grussworte auf unseren Synoden uns darin bestätigten. Das war sicher gut gemeint, hat uns aber nicht gut -, sondern nur wohlgetan. Das Besondere an unseren Kirchen war, dass wir als Kirche in einer besonderen Situation gelebt haben.’
Ofwel De Graaf citeert hier uit een andere –maar dan onbekende- tekst dan ze zelf aangeeft, ofwel ze heeft hier zelf een redenering bedacht die ze Krusche in de mond legt.
Maar ook op andere manieren doet ze de tekst onrecht.
Allereerst lijkt ze uit het oog te verliezen dat Krusche zijn tekst schreef voor de synode, voor zijn kerk dus, en niet als een politiek getuigenis over de opstelling van zijn kerk. Hij meet niet met de maat van de politiek of het menselijk recht, maar hij meet met de maat van het geloof. We hebben de laatste 21 jaar intensief geleefd, zegt hij, en hebben ervaringen met de levende God en met elkaar opgedaan, die we anders niet gehad zouden hebben en die we mee moeten nemen in ons leven en belijden. We zijn ons ervan bewust waar we ons vergist hebben en waar we onvoldoende op God vertrouwd hebben en daarom schuldig zijn geworden. Dat is de inzet van Krusche’s tekst.
Bijzonder is vervolgens dat hij dat gebrek aan vertrouwen in de eerste plaats uitwerkt naar de wijze van kerkzijn in het kader van de relatie met de kerken in West-Duitsland. Door de financiële steun die er steeds uit West-Duitsland kwam, leefde de kerk in de DDR boven haar stand en werd ze niet gedwongen haar karakter van volkskerk op te geven en zich intensief en creatief op haar werkelijke situatie te beraden. De mensen die ons uit het Westen bezochten, hebben ons hun kritiek bespaard, omdat ze dachten dat het zonder een zekere aanpassing niet kon; en wij in de DDR zagen op onze beurt in de uitlatingen van de Westerse kerken een aanpassing aan de heersende opinies en de wens om de goede verhouding met de eigen overheid niet te schaden, en ook wij zwegen. We zijn dus beiden de noodzakelijke confrontatie uit de weg gegaan.
Het concept ‘Kirche im Sozialismus’ had als zwakte dat de staat kon gaan denken dat het een erkenning was van zijn opvatting van socialisme; dat werd ook soms tegen de kerk gebruikt: wat jullie nu doen komt niet overeen met het ‘kerkzijn in het socialisme’. De formule beoogde niet de rechtvaardiging van de status quo, maar het gaan van een weg en de deelname aan een maatschappelijk proces. Vandaar dat Falcke sprak over een ‘verbesserlich’ socialisme; hij deed dat vanuit de in Christus gegronde hoop op een ‘verbesserliche’ kerk. Dan volgt de prachtige zin: ‘Die Bussfrage an uns ist von daher nicht, obwir uns darin getäuscht haben, dass der Sozialismus reformabel sei, sondern ob er in uns einer Kirche begegnet ist, die sich von Christus hat reformieren lassen zur grenzüberschreitenden Liebe, zur Solidarität mit den Schwachen und Ohnmächtigen, zur Stätte des freien Wortes und des radikalen Fragens, zur Bereitschaft, sich um des Menschen willen aufs Spiel zu setzen.’
De verklaring spreekt vervolgens over allerlei gebeurtenissen in de Bund, over contacten en gesprekken in binnen- en buitenland, en over verschillende onderwerpen, als racisme, gerechtigheid, Midden Oosten, mensenrechten, milieu en de vrede, en laat zien waar daaruit botsingen met de staat voortkwamen. Krusche laat niet na er tussen de regels door ook op te wijzen dat de Bund zich eerder en kritischer uitsprak over zaken als kernwapens en leger dan de West-Duitse zusterkerk, de EKD. Hier geeft Krusche overduidelijk een heel ander beeld van de manier waarop de Bund met de thema’s van het CP bezig was, dan De Graaf het voorstelt (blz.251), als weinig concreet. Het document uit het CP van Dresden 1989 “Mehr Gerechtigkeit in der DDR –undere Aufgabe, unsere Erwartungen’ bevat een forse kapitalismekritiek (door De Graaf niet genoemd), waarover Krusche zegt dat die voortkwam uit: ‘einer intensieven Beschäftigung mit den Folgen, die die Erfolge des Kapitalismus für die Länder und Bevölkerungen der Zweidrittelwelt haben, und aus der Lektüre der Bibel mit den Augen der Armen. Die kritische Sicht des Kapitalismus wollte nicht die ineffektive Planwirtschaft verteidigen, sondern ihr ging es darum, dass in einer künftigen Weltwirtschaftsordnung nicht die ökonomische Effiziens zum Wert aller Werte gemacht, sondern dass der Ursprungsimpuls des Sozialismus wirksam werden sollte’.
Krusche geeft blijk van weerzin tegen de uitspraken van de nog ongedeelde Duitse kerken uit 1960 in de tekst ‘Der Christ in der DDR’ waarin zelfs de vraag wordt gesteld of een christen wel in de DDR kan leven. Met Falcke zegt hij hier dat hier het atheïsme van de staat serieuzer genomen wordt dan gepast is voor wie in de opstanding gelooft. Noch aan socialisten noch aan anti-communisten laten we toe dat ze het ons ontnemen om onze maatschappij te zien in het licht van de belofte van Christus.
Vervolgens stelt Krusche vragen aan zichzelf en aan zijn kerk. Hier is zijn oordeel -inderdaad- genuanceerd. Maar over enkele zaken is hij duidelijk (ook al kan hij ze goed verklaren en gedeeltelijk verdedigen), zoals: de kerk had niet moeten zwijgen of meer moeten zeggen over de bouw van de muur, over de rechtspraak (we hadden ‘de mond van de stommen’ moeten zijn) en over de activiteiten van de Stasi. We hebben ons vergist in de ‘Reformfähigkeit’ van het socialisme, maar wilden de oorsprongsimpuls van het socialisme ‘de mens recht te doen’ serieus nemen. Vervolgens spreekt Krusche ook over het dilemma dat voortkwam uit de relatie van de kerk en de onder haar dak wonende oppositionele groepen en spreekt hier over een zinvol, maar niet gepland samenspel, en hoopt dat de groepen en kerken zich op die spanningsvolle manier tot elkaar zullen blijven verhouden.

Het is misplaatst en ongerechtvaardigd dit indrukwekkende document als argument in een politieke strijd in te zetten. Wie het leest, ziet uit naar het moment dat de eigen kerk op een zodanige wijze de eigen plaats in de samenleving evalueert.


Concluderend

Mient Jan Faber vertelde enige maanden geleden dat er iemand bezig was een proefschrift over hem te schrijven. Hij doelde op deze studie van Beatrice de Graaf; volgens de ondertitel en verantwoording geen biografie van Faber, maar gezien de inhoud wel tot op grote hoogte ‘de geschiedenis door de ogen van Faber’. Dat Beatrice de Graaf weerzin voelt tegen westerse kapitalismekritiek en tegen het socialisme, en Mient Jan Faber zeer bewondert, is haar goed recht. Maar als wetenschapster schiet zij te kort nu ze die persoonlijke visie niet alleen op de interpretatie van de feiten van invloed laat zijn, maar ook op de beschrijving daarvan en de keuze én weergave van haar bronnen. Een gemiste kans, want haar studie betreft een belangrijke periode en een belangrijk onderwerp.


Greetje Witte-Rang
januari 2005

Greetje Witte-Rang (1954, theologe, werkzaam als onderzoeker bij de Stichting Oikos in Utrecht) is lid van de Theologische Werkgroep van Kerk en Vrede en werkte van 1979-1982 als studiesecretaris bij het deputaatschap ter bestudering van het oorlogsvraagstuk van de Gereformeerde Kerken.

Voetnoten: (1) Ik kan ook alleen die twee verklaringen bedenken voor de vreemde wijze waarop De Graaf mijn persoon (eenmaal) in haar proefschrift ter sprake brengt. Op bladzijde 202 is te lezen dat ik (als lid van het gereformeerde deputaatschap Oorlogsvraagstuk) persoonlijk door De Graaf gerekend wordt tot de actiefste tegenstanders in de GKN van de radicale politieke profilering van de IKV-top in zake het Oost-Europabeleid in die periode. Als ik echter al mijn inleidingen en publicaties uit die tijd overzie, komt daaruit het beeld naar voren van een actieve ijveraar voor het IKV. Op één punt na. Ik bepleit dat het IKV zich radicaler opstelt: burgerlijke ongehoorzaamheid moet in het kader van de strijd tegen de kernwapens niet bij voorbaat worden afgewezen, zoals Mient Jan Faber dat wél deed. Over Oost-Europa is niets te vinden.

(2) Bovendien begreep de Stasi de kerken ook niet echt. Zij was er bijvoorbeeld op uit het werk van de kerk te ‘theologiseren’, vanuit de gedachte dat de boodschap van de kerk dan maatschappelijk onschadelijk zou zijn. In de praktijk pakte dit echter in zijn tegendeel uit. De kritiek op het systeem werd theologisch vertaald en kreeg juist daardoor een brisante lading. Zo vertelt de DDR-theoloog Heino Falcke dat juist de theologische teksten die in het kader van het Conciliair Proces in de DDR geschreven waren, het radicaalst waren.

(3) Ik citeer hier uit de Engelse vertaling van deze tekst die in Evangelische Theologie verscheen en door Ecumenical Review in april 2004 gepubliceerd werd. Ik heb de oorspronkelijke tekst bekeken en de vertaling is correct.

Het boek "Geloof niet in oorlog - de discussie in de Gereformeerde Kerken over het oorlogsvraagstuk 1966-1998" van H.B. Gerritsma, J.J. Verdonk, H. Wesseling en H.J. Zeldenrust (in eigen beheer uitgegeven in 2003), kunt u voor € 9 (exclusief verzendkosten) bestellen via Kerk en Vrede. (4) Van de vier schrijvers (Gerritsma, Verdonk, Wesseling en Zeldenrust) van het boek ‘Geloof niet in oorlog’ over het gereformeerde deputaatschap voor het oorlogsvraagstuk, zijn er drie lange tijd IKV-beraadslid geweest, en de vierde was nauw betrokken bij het IKV. Uit de positieve beschrijving van Von Meyenfeldt (en het ontbreken van Faber) in het boek (noot 313, blz.365) concludeert De Graaf dat de schrijvers niets op hadden met Faber. Wie de schrijvers kent, weet dat dat onzin is. Dat Faber niet in het boek geportretteerd wordt, is echter logisch: het is een boek over de deputaten die o.a. tot hun taak hadden de gereformeerde vertegenwoordigers in het IKV te begeleiden. De persoon van Mient Jan Faber deed er in dat verband niet toe: hij was de secretaris van dat beraad, en toevallig gereformeerd. Het zou eerder vreemd geweest zijn wanneer hij wél in het boek was geportretteerd: er was immers geen officiële relatie tussen het deputaatschap en Faber.

(5) Falcke vertelde me dit in een gesprek dat ik op 5 januari 2005 met hem had.

(6) Heino Falcke in: ‘Der Bund der Evangelischen Kirchen in der DDR’ in: Themenheft: Niederlandische Kirchen und die DDR, Jahrbuch 2002, Zentrum für Niederlande-Studien, Münster, 2003